By: admin On: februari 08, 2024 In: Podium Comments: 0

We volgen hem al behoorlijk lang. Eind december 2023 kwam het tot een treffen met Róman Kienjet (1992), kunst- en fotohistoricus. Jong, attractief, bevlogen, tegelijk een degelijke wetenschapper. Kortom een plezier om hem in je buurt te hebben. Hij is vrij gevestigd, werkt freelance. ‘Autonoom’ in zijn woorden. Hij werkt aan projecten bij musea, doet wetenschappelijk onderzoek, organiseert tentoonstellingen en schrijft artikelen en boeken. Een van zijn huidige projecten is een internationaal onderzoek bij de Frédéric Brenner Archieven. Hij praat snel en zegt veel. Veel rolt van de tafel voor dat je het kunt pakken. Ik hang aan zijn lippen!

‘Ik ben geboren in een gezin waarin kunst een belangrijk thema was. Mijn vader werkt als beeldend kunstenaar en het was vanzelfsprekend dat mijn twee broers en ik na de middelbare school kunstonderwijs gingen volgen. In mijn geval de kunstacademie in Den Haag, waar ik ‘Ruimtelijke vormgeving’ deed. Maar eenmaal afgestudeerd en aan het werk bevredigde dat me niet. Het was me te oppervlakkig. Ik wilde verdieping. (lacht) Misschien was ik er ook gewoon niet zo goed in. Ik koos voor een studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Mijn stageplaats werd het Rijksmuseum. In het Rijksmuseum kwam ik in een project fotografie terecht. Van uitvoerend vormgever naar wetenschapper in de fotografie. Zo lopen dingen dus.’

‘Voor mij is een foto geen plaatje. Het is een ding. Je moet alle kanten en alle facetten er van bestuderen en beschrijven. Objectgericht en vooral ook technisch onderzoeken. Ik wil echt naar dat ding kijken, in  het plaatje ben ik  minder geïnteresseerd. Hoewel…’

‘Natuurlijk is het beeld ook belangrijk. Bij het zien van een foto gaat het onder meer om het waarheidsgehalte. Geeft de foto de werkelijkheid weer, of kijken we vooral naar de visie van de fotograaf. Je kunt een foto op veel meer manieren bekijken, bijvoorbeeld vanuit de semiotiek. Dan gaat het over de betekenis van beelden, het bestuderen van het proces van tekens en communicatie.’

‘Tot de jaren zeventig was in Nederland vooral sprake van documentaire fotografie. Onder andere Ed van der Elsken stond op het kantelpunt naar kunst. Ze gingen zich afvragen welke boodschap ze voor de mensheid hadden. Fotografie werd conceptueler. Toen we dat doorkregen bleken sommige persfoto’s uit de geschiedenis ook kunst te zijn. Dat blijkt dus te kunnen’

 

‘Fotografie als kunst. Tja, het bloed kruipt waar het niet gaan kan… Echte fotografie heeft voor mij met materie te maken. Het is fysiek. Dragers zoals negatieven en papier, chemicaliën. Ik heb diep respect voor fotografen als Erwin Olaf die zich bezig hield met oude technieken als kooldruk en Koos Breukel die werkt met platina-palladiumtechniek. Het oude metier, waar je tegen de beperkingen van het materiaal aanloopt, maar die een niet met digitale technieken te krijgen resultaat oplevert. Doorleefd, fijnzinnig en diep.’

‘Schoonheid in de kunst in het algemeen, maar zeker in de fotografie, moet je vanuit drie gezichtspunten beschouwen. In oplopende mate van belang: Ten eerste, de ambachtelijkheid. Is het technisch goed gemaakt? Ten tweede, de emotie. Raakt het me? Ten derde, de conceptuele component. Past het in de historie en heeft het betekenis voor de toekomst?  De combinatie van deze gezichtspunten maakt het mogelijk iets te zeggen dat persoonlijke smaak te boven gaat. En je moet breed kijken. Foto’s van Paul Kooiker kun je niet in hun kwaliteit zien als je ze als uniek exemplaar bekijkt. De werkelijke waarde wordt pas duidelijk in een hele serie. En zijn series gaan over het leven in al zijn complexiteit.’

‘Met digitale techniek kan momenteel alles. Er zijn geen beperkingen. Je kunt foto’s opblazen tot gigantische afmetingen zonder scherpte en dichtheid te verliezen. Je kunt steeds grotere printers bouwen. Je kunt alles op een foto manipuleren. ‘Spierballenfotografie’. Ik ben daar niet zo van! ’

‘Je kunt kinderen niet vroeg genoeg kennis laten maken met kunst. Dingen laten zien die ze later herkennen. Ik werd als kleuter door mijn ouders al door het Louvre gesleept. Ik neem ons kind van een half jaar in een draagzak mee naar tentoonstellingen die ik beroepshalve moet bezoeken. Hij vindt het prachtig. Musea en tentoonstellingen hebben een heel unieke sfeer. Los van het alledaagse, bijna gewijd, stil. Daar leer je open te staan voor kennis, schoonheid. Dat klinkt misschien een beetje hoogdravend, maar voor mij is dat zo. Tegelijk is waar, dat als je je op een wetenschappelijke manier met fotografie wilt bezig houden, je veilingen kunt bezoeken, aankopen doen, collecties aanleggen, enz. Maar het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld. Je kunt ook naar een kringloopwinkel gaan en daar naar foto’s zoeken.’

Website:

Frédéric Brenner Archieven
www.fredericbrennerarchive.org

Boeken:

  • De snelfotograaf, een geschiedenis van het moderne portret.
  • Licht